Examenprogramma Basiskennis Calculatie

 

 

Theorie en toepassing

 

2.1   Elementaire berekeningen
2.1.01   Uitvoeren van elementaire berekeningen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, machtsverheffen, procenten en promillen (ook boven en onder het honderd c.q. duizend).
    Toelichting:
    Onder andere zogenaamde redactiesommen. Ook wordt verwacht dat aan de hand van een gegeven tabel en de daarbij behorende toelichting bijvoorbeeld de kleine-ondernemersregeling in de omzetbelasting of het forfait met betrekking tot privégebruik auto in de inkomstenbelasting kan worden becijferd zonder dat hier enige fiscale kennis voor nodig is.
2.1.02 R Oplossen van een vergelijking met één onbekende.
    Toelichting:
    Het uitwerken van een gegeven formule, bijvoorbeeld de goederenverbandsformule:
    Beginvoorraad (BV) + Inkopen (I) – Inkoopprijs verkopen(V) = Eindvoorraad (EV).
     
2.2 Goederenhandel
2.2.01   Berekenen factuurbedrag van inkoop en verkoop.
2.2.02   Berekeningen uitvoeren van en met vreemde valuta: aankoopkoers (biedkoers) en verkoopkoers (laatkoers).
2.2.03 R Berekeningen uitvoeren van en met kortingen op het gewicht: tarra en rafactie.
2.2.04   Berekeningen uitvoeren van en met toeslagen en kortingen op de prijs: rabat, korting voor contant en kredietbeperkings-toeslag.
2.2.05   Berekeningen uitvoeren van en met omzetbelasting.
2.2.06 R Berekeningen uitvoeren van en met vervoerskosten.
2.2.07   De uitkering bij verzekering berekenen, bij een gegeven gezonde waarde, een gegeven schadebedrag en een gegeven verzekerd bedrag.
    Toelichting:
    Deelberekeningen en het opstellen van een complete factuur.
     
2.3 Kostprijsberekeningen
2.3.01   Berekenen van kosten: materiaalkosten (bij gegeven hoeveelheden en tarieven), loonkosten (bij gegeven hoeveelheden en tarieven).
    Toelichting:
    Berekening van de kostprijs op basis van directe kosten en indirecte kosten.
    Berekening van de indirecte kosten op basis van de eenvoudige opslagmethode en op basis van de verfijnde opslagmethode.
2.3.02 R Berekenen van afschrijvingskosten duurzame activa (vast percentage van de aanschafprijs, vast percentage van de boekwaarde).
2.3.03 R Berekenen van interestkosten duurzame activa (over gemiddeld geïnvesteerd vermogen gedurende de gehele levensduur).
2.3.04   Berekeningen uitvoeren met constante en variabele kosten.
    Toelichting:
    Ook het verband tussen omzet en constante kosten enerzijds en omzet en variabele kosten anderzijds.
2.3.05   Berekenen van integrale fabricagekostprijs, integrale commerciële kostprijs, kostprijs met behulp van de formule: C/N + V/W, verkoopprijs, consumentenprijs, brutowinst, verkoopresultaat, bedrijfsresultaat (nettowinst).
    Toelichting:
    Ook het verschil tussen de normale productie, de werkelijke productie en de maximale capaciteit.
    Het kunnen constateren of er sprake is van overbezetting of van onderbezetting.
     
2.4 Statistiek
2.4.01   Het samenstellen en kunnen interpreteren van tabellen en grafieken:
    enkelvoudige en meervoudige tabel, lijndiagram, staafdiagram (enkelvoudig en samengesteld), kolommendiagram (enkelvoudig en samengesteld).
2.4.02 R Het lezen van een beelddiagram en een cirkeldiagram.
2.4.03   Berekenen van enkelvoudige indexcijfers met betrekking tot prijs, hoeveelheid en waarde.
    Toelichting:
    Begrippen basisperiode en verslagperiode.
    Verleggen van het basisjaar.
    Terugrekenen van indexcijfers naar de oorspronkelijke getallen.
     
2.5 Spreadsheetgebruik
2.5.01   De bij 2.1 tot en met 2.4 genoemde berekeningen uitvoeren met behulp van een spreadsheetprogramma.
    Er wordt vanuit gegaan dat kandidaten de volgende vaardigheden in Excel beheersen:
   
  • maken en bewerken van werkbladen;
  • invoeren c.q. invoegen, bewerken en verwijderen van getallen, teksten, rijen en kolommen;
  • kennis van en werken met rekenformules (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, sommeren, gemiddelde berekenen, aantal, percentage);
  • selecteren van delen van een werkblad, knippen en plakken op een andere plaats;
  • opstellen van eenvoudige overzichten en tabellen;
  • opstellen van een eenvoudige databank en aan de hand hiervan eenvoudige selectie-en sorteeropdrachten uitvoeren, onder andere door middel van filteren.
    Toelichting:
    De spreadsheetopgave wordt via de computer (en wellicht ook paperbased) aangeboden. Voor de uitwerking wordt gebruikgemaakt van een aantal werkbladen. Werkblad 1 bevat het basisbestand, dat is beveiligd. Gegevens op dit werkblad kunnen niet worden gewijzigd of verwijderd. Indien nodig kan steeds van deze gegevens gebruik worden gemaakt.
    Per vraag wordt aangegeven welke handelingen verricht moeten worden alvorens met de uitwerking kan worden begonnen, alsmede op welke wijze de verkregen uitwerking moet worden vastgelegd. Een en ander wordt toegelicht aan de hand van een voorbeeld.
     
    Voorbeeld opgave met Excel in het examen BKC
    Bedrijf BV vervaardigt en verkoopt onder meer het product X.

Van het product X is het volgende gegeven:
Jaar Afzet in
stuks
Omzet
2000 3.400 € 176.900,-
2001 3.510 € 189.700,-
2002 3.590 € 197.600,-
2003 3.720 € 208.300,-
2004 3.680 € 211.500,-
2005 3.420 € 179.600,-
2006 3.130 € 159.400,-
     
    Selecteer op werkblad 1 de gegevens van het product Maz en kopieer deze naar werkblad 2 van het Excelbestand. Verbreed of versmal indien nodig kolommen. Bereken op werkblad 2 de verkoopprijs per stuk van het product Maz in de jaren 2000 tot en met 2006. Rond de prijzen af op centen. Bereken op werkblad 2 ook de indexcijfers van de afzet en van de omzet voor de jaren 2000 tot en met 2006, met als basisjaar 2000. Rond de indexcijfers af op gehelen. Maak hiervan vervolgens een PDF.
     
2.5.02   Het maken van een grafiek met behulp van een spreadsheetprogramma:
    lijndiagram, kolommendiagram en staafdiagram.
    Er wordt vanuit gegaan dat kandidaten de volgende vaardigheden in Excel beheersen: het maken van grafieken met behulp van de functietoets op de werkbalk (uitsluitend de stappen 1 tot en met 4).
     
2.6 Presenteren en rapporteren
2.6.01   Presenteren (eenvoudig; zie ook 2.5.01 en 2.5.02).
    Toelichting:
    Het maken van een enkelvoudige en/of meervoudige tabel.
    Het maken van een eenvoudige grafiek (zie 2.5.02)
    Het gaat hier om duidelijke en overzichtelijke overzichten als basis voor rapportering.
2.6.02   Rapporteren: korte toelichting op presentatie.
    Toelichting:
    Het geven van een korte toelichting, signaleren van vraagpunten e.d. op de bij 2.6.01 opgemaakte tabel en/of grafiek. Het gaat hierbij dus om de interpretatie van het cijfermateriaal.
     
     
    Theorie
     
 NB   Daar waar in de hierna genoemde eindtermen wordt gesproken van beschrijven wordt daarmee bedoeld (voor zover van toepassing): noemen, herkennen, kenmerken noemen, voorbeelden noemen, verschillen noemen, overeenkomsten noemen en uitleggen. In een aantal gevallen is dat in de eindtermen ook nog expliciet aangegeven.
     
2.7 Handel algemeen
2.7.01   De functies van de handel beschrijven: collecteren, distribueren, sorteren en financieren.
2.7.02   Het begrip bedrijfskolom beschrijven.
2.7.03   Het begrip bedrijfstak beschrijven.
2.7.04   Het begrip groothandel beschrijven en hiervan voorbeelden noemen.
2.7.05   Het begrip kleinhandel beschrijven en hiervan voorbeelden noemen.
2.7.06   Van samenwerkingsvormen bij ondernemingen voorbeelden beschrijven:
    vrijwillig filiaalbedrijf, inkoopcombinatie, franchising, concern, joint venture en fusie.
2.7.07   Voorbeelden noemen van agrarische, extractieve en industriële producten.
2.7.08   De betekenis van het scannen van streepjescodes op de verpakking beschrijven:
    afrekenen, uitgebreide kassabon, koppeling met de administratie en beperking van fraudemogelijkheden.
     
2.8 Koop en verkoop
2.8.01   De begrippen koop en verkoop beschrijven.
2.8.02   De leveringsvoorwaarden beschrijven: franco en rembours.
2.8.03   De betalingsvoorwaarden beschrijven: contant, op rekening en boete bij overschrijding betalingstermijn.
2.8.04 R Kortingen op het gewicht beschrijven: (gewone) tarra en rafactie.
2.8.05   Kortingen (op de prijs) beschrijven: rabat, korting voor contant, kredietbeperkingstoeslag en omzetbonus.
     
2.9 Internationale handel
2.9.01 R De begrippen import, export, vrijhandel en protectie beschrijven.
2.9.02   Het begrip accijns noemen, het doel van deze heffing beschrijven en voorbeelden daarvan noemen.
     
2.10 Verzekering
2.10.01   Het begrip verzekering beschrijven.
2.10.02   Het verschil tussen schadeverzekering en sommenverzekering beschrijven.
2.10.03   De schadeverzekering, de brandverzekering, de transportverzekering, de bedrijfsschadeverzekering, de kredietverzekering, de productaansprakelijkheidsverzekering, de WA-verzekering en de rechtsbijstandsverzekering beschrijven.
2.10.04   De begrippen oververzekeren, onderverzekeren, herverzekeren, premier risqueverzekering en premie beschrijven.
2.10.05 R De sommenverzekeringen levensverzekering, lijfrenteverzekering, pensioenverzekering en compagnonsverzekering beschrijven.
     
2.11 Kredietverlening
2.11.01   Vormen van krediet beschrijven: leverancierskrediet, afnemerskrediet, doorlopend krediet, rekening courantkrediet, starterskrediet en ondernemerskrediet.
2.11.02 R Koop op afbetaling en huurkoop beschrijven.
2.11.03   Een indeling van kredieten op grond van een kredietovereenkomst noemen en de betekenis hiervan aangeven: ongedekt en gedekt krediet.
2.11.04   Onderscheid bij gedekt krediet beschrijven: persoonlijke en zakelijke zekerheidstelling.
2.11.05   Van persoonlijke zekerheidstelling een voorbeeld noemen: borgtocht.
2.11.06   Van zakelijke zekerheidstelling voorbeelden noemen: pandrecht, hypotheek en krediethypotheek.
2.11.07   Het begrip leasing beschrijven.
2.11.08   De begrippen lessor en lessee beschrijven.
2.11.09   De vormen van leasing beschrijven: operational leasing, financial leasing en sale-and lease back.
     
2.12 Wetskennis
2.12.01 R Beschrijven wat in het vermogensrecht onder zaken wordt verstaan.
2.12.02 R Het verschil tussen onroerende zaken en roerende zaken beschrijven en van beide voorbeelden noemen.
2.12.03 R Het recht van hypotheek beschrijven.
2.12.04 R De bedingen beschrijven die bij het recht van hypotheek kunnen voorkomen.

 

 

 

terug